aanbelanden

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : Navigation, rechercher

Sommaire

[modifier] Néerlandais

Origine et histoire de « aanbelanden » Étymologie

Formé sur le mot land.

Verbe

Présent Prétérit
ik beland aan belandde aan
jij belandt aan
hij, zij, het belandt aan
wij belanden aan belandden aan
jullie belanden aan
zij belanden aan
u belandt aan belandde aan
Auxiliaire Participe passé
zijn aanbeland

aanbelanden

  1. Arriver.

Synonymes

Prononciation Prononciation

Prononciation manquante. (Ajouter)

  • Pays-Bas  :  écouter « aanbelanden  »
    Nl-aanbelanden.ogg
Outils personnels
Espaces de noms

Variantes
Actions
Navigation
Contribuer
Aide
Boîte à outils
Autres langues