aangaan
Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sommaire |
[modifier] Néerlandais
Étymologie
- Étymologie manquante ou incomplète. Si vous la connaissez, vous pouvez l’ajouter en cliquant ici.
Verbe
aangaan
Verbe
| Présent | Prétérit | ||
|---|---|---|---|
| ik | ga aan | ging aan | |
| jij | gaat aan | ||
| hij, zij, het | gaat aan | ||
| wij | gaan aan | gingen aan | |
| jullie | gaan aan | ||
| zij | gaan aan | ||
| u | gaat aan | ging aan | |
| Auxiliaire | Participe passé | ||
| zijn | aangegaan | ||
- Concerner, regarder, toucher, intéresser, regarder.
- dat gaat u niet aan : cela ne vous regarde pas.
- wie het aangaat : qui de droit.
- Contracter, s'engager.
- een huwelijk aangaan : contracter mariage.
- een lening aangaan : emprunter, faire un emprunt.
- een pacht aangaan : passer un bail.
- een schuld aangaan : contracter une dette.
- schuldvernieuwing aangaan : nover.
- een verbintenis aangaan : contracter une obligation, assumer une obligation.
- een verzekering aangaan : souscrire une assurance.
- een overeenkomst aangaan : passer un contrat, conclure un contrat.
- het aangaan van de overeenkomst : la passation du contrat, la conclusion du contrat, la formation du contrat.
- Commencer.
- dat gaat niet aan : cela ne va pas, cela n’est pas possible.
- S'allumer, prendre.
- Tempéter, se démener.
Synonymes
- aanbelangen, bekommeren, betreffen, gelden (1)
- afsluiten, sluiten (2)
- demarreren, beginnen (3)
- ontbranden, ontvonken, vlam vatten, ontvlammen (4)
- herrie schoppen, lawaai maken (5)
Prononciation
→ Prononciation manquante. (Ajouter)
- Pays-Bas : écouter « aangaan »