aanhouden

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : Navigation, rechercher

Sommaire

Néerlandais [modifier]

Origine et histoire de « aanhouden » Étymologie

Étymologie manquante ou incomplète. Si vous la connaissez, vous pouvez l’ajouter en cliquant ici.

Verbe

Présent Prétérit
ik hou aan hield aan
jij houdt aan
hij, zij, het houdt aan
wij houden aan hielden aan
jullie houden aan
zij houden aan
u houdt aan hield aan
Auxiliaire Participe passé
hebben aangehouden

aanhouden

  1. Ajourner, différer, reculer, renvoyer, retarder, suspendre.
    • een rechtszaak aanhouden : ajourner un procès.
    • de uitvoering van een proces aanhouden : suspendre l’exécution d’un procès.
    • een zaak aanhouden : retenir une affaire, surseoir.
  2. Persister, persévérer.
    • indien de overmacht meer dan dertig dagen aanhoudt : si la force majeure persiste au-delà de trente jours.
  3. Continuer, durer.
  4. Prolonger.
    • je moet niet zo aanhouden : tu ne dois pas insister de la sorte.
  5. Arrêter, appréhender, interpeller.
    • aangehouden : en état d’arrestation.
    • de aangehoudene : le détenu, la détenue.

Synonymes

Prononciation Prononciation

  • Pays-Bas : écouter « aanhouden »