aanknopen

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : Navigation, rechercher

Sommaire

[modifier] Néerlandais

Origine et histoire de « aanknopen » Étymologie

Composé de la préposition aan et du verbe knopen.

Verbe

aanknopen

Verbe

Présent Prétérit
ik knoop aan knoopte aan
jij knoopt aan
hij, zij, het knoopt aan
wij knopen aan knoopten aan
jullie knopen aan
zij knopen aan
u knoopt aan knoopte aan
Auxiliaire Participe passé
hebben aangeknoopt
  1. Lier, nouer.
    • een briefwisseling aanknopen met iemand : entrer en correspondance avec qn.
    • er nog een dagje aanknopen : prolonger (ses vacances, etc.) d’un jour rester un jour de plus.

Prononciation Prononciation

Prononciation manquante. (Ajouter)

Synonymes

Outils personnels
Espaces de noms

Variantes
Actions
Navigation
Contribuer
Aide
Boîte à outils
Autres langues