aanmaken

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : Navigation, rechercher

Sommaire

Néerlandais [modifier]

Origine et histoire de « aanmaken » Étymologie

Composé de la préposition aan et du verbe maken.

Verbe

Présent Prétérit
ik maak aan maakte aan
jij maakt aan
hij, zij, het maakt aan
wij maken aan maakten aan
jullie maken aan
zij maken aan
u maakt aan maakte aan
Auxiliaire Participe passé
hebben aangemaakt

aanmaken

  1. Faire, confectionner, fabriquer,construire, opérer, poser.
    • kleren aanmaken : confectionner des vêtements.
  2. Préparer.
    • de verf aanmaken : préparer la peinture, la couleur.
  3. Allumer, enflammer.
  4. (Informatique) Créer.
    • een map aanmaken : créer un dossier.
  5. (Mortier) Gâcher.

Synonymes

Prononciation Prononciation

Prononciation manquante. (Ajouter)