aantonen

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : Navigation, rechercher

Sommaire

[modifier] Néerlandais

Origine et histoire de « aantonen » Étymologie

Composé de aan et tonen.

Verbe

aantonen transitif

Présent Prétérit
ik toon aan toonde aan
jij toont aan
hij, zij, het toont aan
wij tonen aan toonden aan
jullie tonen aan
zij tonen aan
u toont aan toonde aan
Auxiliaire Participe passé
hebben aangetoond
  1. Démontrer, prouver, apporter la preuve.
    • de ontoereikendheid van zijn inkomen aantonen : justifier de l’insuffisance de ses revenus.
    • een feit aantonen : établir un fait.
  2. Montrer, indiquer.
    • de oorzaak van het probleem aantonen : indiquer la cause du problème.

Synonymes

Dérivés

Prononciation Prononciation

Prononciation manquante. (Ajouter)

  • Pays-Bas  :  écouter « aantonen  »
    Nl-aantonen.ogg
Outils personnels
Espaces de noms

Variantes
Actions
Navigation
Contribuer
Aide
Boîte à outils
Autres langues