gezelschap
Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sommaire |
[modifier] Néerlandais
Étymologie
- Étymologie manquante ou incomplète. Si vous la connaissez, vous pouvez l’ajouter en cliquant ici.
Nom commun
| Singulier | Pluriel | |
|---|---|---|
| Nom | gezelschap | gezelschappen |
| Diminutif | gezelschapje | gezelschapjes |
gezelschap neutre
- compagnie, société
- verlegen zijn in het gezelschap van vrouwen
- être intimidé par les femmes
- in goed gezelschap verkeren
- avoir de bonnes fréquentations
- (Figuré) in goed gezelschap zijn
- être en bonne compagnie
- gezelschap hebben aan
- avoir (qc., qn.) pour compagnie
- iem. gezelschap houden
- tenir compagnie à qn.
- dat is geen gezelschap voor u
- ce n’est pas une fréquentation pour vous
- gezelschap zoeken
- rechercher la compagnie
- in gezelschap van
- en compagnie de
- hij wacht op de avond die hem gezelschap zal brengen
- il attend le soir qui lui amènera de la société
- besloten gezelschap
- cercle (privé), club
- verlegen zijn in het gezelschap van vrouwen