gezondheid
Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sommaire |
Néerlandais [modifier]
Étymologie
- À rapprocher de l’allemand Gesundheit.
Nom commun
gezondheid (pluriel : gezondheden, jamais utilisé)
- santé
- geestelijke gezondheid
- santé mentale
- officier van gezondheid
- médecin militaire
- een toonbeeld van gezondheid
- la santé même
- een zwakke gezondheid hebben
- avoir une santé délicate
- blaken van gezondheid
- respirer la santé
- je moet nooit spotten met je gezondheid
- il ne faut pas plaisanter avec sa santé
- problemen hebben met zijn gezondheid
- avoir des ennuis de santé
- op iemands gezondheid drinken
- boire à la santé de qn.
- op uw gezondheid!
- à votre santé !
- (En trinquant) gezondheid!
- à vos souhaits !
- (À quelqu’un qui éternue) gezondheid !
- à tes souhaits !
- geestelijke gezondheid
Composés
- gezondheids-
- de santé, sanitaire, médico-social