huisarts
Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
[modifier] Néerlandais
Étymologie
Nom commun
| Pluriel |
|---|
| huisartsen |
huisarts /Prononciation ?/ masculin
- médecin, médecin de famille, médecin traitant, docteur
- onze huisarts adviseerde om mij voor enkele weken naar het zuiden van Frankrijk te sturen
- notre médecin conseilla de m’envoyer pour quelques semaines dans le Midi.
- onze huisarts adviseerde om mij voor enkele weken naar het zuiden van Frankrijk te sturen