spiegel
Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sommaire |
Moyen haut-allemand [modifier]
Étymologie
Nom commun
spiegel /Prononciation ?/ masculin
Néerlandais [modifier]
Étymologie
Nom commun
| Nombre | Singulier | Pluriel |
|---|---|---|
| Nom | spiegel /ˈspi.ɣəl/ |
spiegels |
| Diminutif | spiegeltje | spiegeltjes |
spiegel /ˈspi.ɣəl/ masculin
- Miroir.
- Een jaar daarop nam de koning een andere vrouw. Het was een mooie vrouw, maar ze was trots en overmoedig en ze kon ’t niet verdragen dat iemand mooier was dan zij. Ze had een heel bijzondere spiegel; en als ze daarvoor ging staan en zichzelf daarin bekeek, sprak zij:
"Spiegeltje, spiegeltje aan de wand,
Wie is de mooiste van ’t hele land?"
dan antwoordde de spiegel:
"De koningin is de mooiste van ’t land." — (Gebroeders Grimm, Sneeuwwitje, 1812)
- Een jaar daarop nam de koning een andere vrouw. Het was een mooie vrouw, maar ze was trots en overmoedig en ze kon ’t niet verdragen dat iemand mooier was dan zij. Ze had een heel bijzondere spiegel; en als ze daarvoor ging staan en zichzelf daarin bekeek, sprak zij:
Prononciation
- Pays-Bas : écouter « spiegel [ˈspi.ɣəl] »