uitwerken

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier | modifier le wikicode]

Étymologie[modifier | modifier le wikicode]

Du verbe werken précédé de la préposition uit.

Verbe 1[modifier | modifier le wikicode]

Présent Prétérit
ik werk uit werkte uit
jij werkt uit
hij, zij, het werkt uit
wij werken uit werkten uit
jullie werken uit
zij werken uit
u werkt uit werkte uit
Auxiliaire Participe passé
zijn uitgewerkt

uitwerken /Prononciation ?/ intransitif

  1. agir, opérer, être efficace
    • Je moet die pillen eerst rustig laten uitwerken.
      Il faut commencer par laisser agir ces pillules.
  2. ne plus agir
    • Het medicijn is uitgewerkt.
      Le médicament ne fait plus d’effet.

Synonymes[modifier | modifier le wikicode]

Verbe 2[modifier | modifier le wikicode]

Présent Prétérit
ik werk uit werkte uit
jij werkt uit
hij, zij, het werkt uit
wij werken uit werkten uit
jullie werken uit
zij werken uit
u werkt uit werkte uit
Auxiliaire Participe passé
hebben uitgewerkt

uitwerken transitif

  1. élaborer, développer
    • Een onderzoek uitwerken.
      Analyser une étude.
  2. résoudre
    • Een probleem uitwerken.
      Résoudre un problème.
  3. (Arts) sculpter, travailler, ciseler


Synonymes[modifier | modifier le wikicode]


Prononciation[modifier | modifier le wikicode]

Prononciation manquante. (Ajouter)