voorzien

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier | modifier le wikicode]

Étymologie[modifier | modifier le wikicode]

Étymologie manquante ou incomplète. Si vous la connaissez, vous pouvez l’ajouter en cliquant ici.

Verbe[modifier | modifier le wikicode]

Présent Prétérit
ik voorzie voorzag
jij voorziet
hij, zij, het voorziet
wij voorzien voorzagen
jullie voorzien
zij voorzien
u voorziet voorzag
Auxiliaire Participe passé
hebben voorzien

voorzien /Prononciation ?/

  1. Prévoir, pourvoir (à).
    • voorzien in het ontbreken van iets : suppléer au défaut de qc.
    • voorzien in de behoeftes van : satisfaire aux besoins de.
    • daarin heeft de wet voorzien : ce cas est prévu par la loi.
    • wij zullen daarin voorzien : nous allons remédier à cela.
    • vacatures waarin snel moet worden voorzien : postes à pourvoir rapidement.
    • zich voorzien van, zich uitrusten met : se doter de.
    • voorzien van onze acceptatie : revêtu de notre acceptation.
    • voorzien van het bewijs : muni de la preuve.

Prononciation[modifier | modifier le wikicode]

  •  : écouter « voorzien »