wijten

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : Navigation, rechercher

Néerlandais [modifier]

Origine et histoire de « wijten » Étymologie

Étymologie manquante ou incomplète. Si vous la connaissez, vous pouvez l’ajouter en cliquant ici.

Verbe

Présent Prétérit
ik wijt weet
jij wijt
hij, zij, het wijt
wij wijten weten
jullie wijten
zij wijten
u wijt weet
Auxiliaire Participe passé
hebben geweten

wijten /ʋɛj.tə:/

  1. Imputer, attribuer.
    • hij weet zijn ongeluk aan hem : il lui attribua (la responsabilité de) son accident.
    • omstandigheden die aan X. zijn te wijten : des circonstances imputables à X.
    • te wijten zijn aan : être dû à.