zorg
Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
[modifier] Néerlandais
Étymologie
- À rapprocher de l'allemand sorgen (« s’occuper de »)
Nom commun
| Singulier | Pluriel | |
|---|---|---|
| Nom | zorg | zorgen |
| Diminutif | zorgje | zorgjes |
zorg /Prononciation ?/ féminin/masculin
- souci, tracas, ennui
- zich zorgen maken
- s’en faire
- zich zorgen maken
- soin, sollicitude.
- de liefderijke zorg
- la sollicitude.
- wij besteden bijzonder veel zorg aan de productie van onze chocolaatjes
- nous apportons le plus grand soin à la production de nos chocolats
- een voorwerp van aanhoudende zorg zijn
- faire l’objet d’une attention permanente, de tous les instants
- iemand danken voor zijn goede zorgen
- remercier qn. pour ses bons soins
- zijn kinderen aan iemands zorgen toevertrouwen
- confier ses enfants aux (bons) soins de qn.
- zorg dragen dat iets gebeurt
- prendre soin que qc. se fasse
- zorg voor iets dragen
- prendre soin de qc.
- iemand met zorgen omringen
- entourer qn. d’attentions
- iets met zorg doen
- faire qc. soigneusement.
- de zorg voor iets, iemand op zich nemen
- prendre qc., qn. en charge
- de zorg voor het gezin
- les charges de la famille
- (Droit) door de zorg van
- à la diligence de
- de liefderijke zorg
- santé (publique), soins médicaux
- in Engeland was de zorg gratis
- en Angleterre les soins médicaux étaient gratuits
- in Engeland was de zorg gratis