aanblijven

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier]

Étymologie[modifier]

Composé de la particule séparable aan et du verbe blijven (« rester »).

Verbe[modifier]

Présent Prétérit
ik blijf aan bleef aan
jij blijft aan
hij, zij, het blijft aan
wij blijven aan bleven aan
jullie blijven aan
zij blijven aan
u blijft aan bleef aan
Auxiliaire Participe passé
zijn aangebleven

aanblijven \Prononciation ?\ intransitif (ergatif)

  1. ne pas s’éteindre
    • Het vuur blijft aan.
      Le feu continue de brûler.
  2. rester en fonction, ne pas démissionner
    • De minister is aangebleven.
      Le ministre n’a pas démissionné.

Prononciation[modifier]

  • (Région à préciser) : écouter « aanblijven »