aangeven

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sauter à la navigation Sauter à la recherche

Néerlandais[modifier le wikicode]

Étymologie[modifier le wikicode]

Composé de la préposition aan (à) et du verbe geven (donner).

Verbe [modifier le wikicode]

Présent Prétérit
ik geef aan gaf aan
jij geeft aan
hij, zij, het geeft aan
wij geven aan gaven aan
jullie geven aan
zij geven aan
u geeft aan gaf aan
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben geven aand aangegeven

aangeven transitif (bitransitif)

  1. Passer, remettre à, donner.
    • Kun je me het zout aangeven, alsjeblieft .
      Tu peux me passer le sel, s’il te plaît.
  2. Déclarer.
    • Zijn inkomen aangeven .
      Déclarer ses revenus.
    • Zijn bagage aangeven.
      Faire enregistrer ses bagages.
    • Een geboorte aangeven bij het gemeentehuis.
      Déclarer une naissance à la mairie.
    • Goederen aangeven bij de douane.
      Déclarer des marchandises à la douane.
    • Een misdaad aangeven.
      Dénoncer, rapporter un crime.
  3. Indiquer, signaler, nommer.
    • De hoofdlijnen van een plan aangeven.
      Tracer les grandes lignes d’un plan.
    • Zich aangeven <bij de politie>.
      Se livrer, se dénoncer.

Synonymes[modifier le wikicode]

passer

déclarer

indiquer

Taux de reconnaissance[modifier le wikicode]

En 2013, ce mot était reconnu par[1] :
  • 100,0 % des Flamands,
  • 98,6 % des Néerlandais.

Prononciation[modifier le wikicode]

Prononciation manquante. (Ajouter)

Références[modifier le wikicode]

  1. Marc Brysbaert, Emmanuel Keuleers, Paweł Mandera et Michael Stevens, Woordenkennis van Nederlanders en Vlamingen anno 2013: Resultaten van het Groot Nationaal Onderzoek Taal, Université de Gand, 15 décembre 2013, 1266 p. → [lire en ligne]