aanleren

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier]

Étymologie[modifier]

Composé de la particule séparable aan et du verbe leren (« apprendre »).

Verbe[modifier]

aanleren transitif

Présent Prétérit
ik leer aan leerde aan
jij leert aan
hij, zij, het leert aan
wij leren aan leerden aan
jullie leren aan
zij leren aan
u leert aan leerde aan
Auxiliaire Participe passé
hebben aangeleerd
  1. apprendre

Synonymes[modifier]

Antonymes[modifier]

Prononciation[modifier]