doorklieven

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier]

Étymologie[modifier]

Composé de door et klieven.

Verbe [modifier]

Présent Prétérit
ik klief door kliefde door
jij klieft door
hij, zij, het klieft door
wij klieven door kliefden door
jullie klieven door
zij klieven door
u klieft door kliefde door
Auxiliaire Participe passé
hebben doorgekliefd
Présent Prétérit
ik doorklief doorkliefde
jij doorklieft
hij, zij, het doorklieft
wij doorklieven doorkliefden
jullie doorklieven
zij doorklieven
u doorklieft doorkliefde
Auxiliaire Participe passé
hebben doorkliefd

doorklieven transitif

  1. Fendre, cliver, diviser (un diamant etc.).
  2. (Peu usité) Traverser, fendre (l’atmosphère, la mer etc.).
    • een meteoriet doorklieft de dampkring
      une météorite traverse l'atmosphère.

Synonymes[modifier]

fendre

Prononciation[modifier]

Prononciation manquante. (Ajouter)