voorzien

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier]

Étymologie[modifier]

Dérivé par préfixation de zien « voir ».

Verbe[modifier]

Présent Prétérit
ik voorzie voorzag
jij voorziet
hij, zij, het voorziet
wij voorzien voorzagen
jullie voorzien
zij voorzien
u voorziet voorzag
Auxiliaire Participe passé
hebben voorzien

voorzien \Prononciation ?\ transitif/intransitif

  1. prévoir
    • Daarin heeft de wet voorzien.
      Ce cas est prévu par la loi.
    • Ik voorzie een goede toekomst.
      Je prévois un bel avenir.
  2. pourvoir (à)
    • Voorzien in het ontbreken van iets.
      Suppléer au défaut de quelque chose.
    • Voorzien in de behoeftes van.
      Satisfaire aux besoins de.
    • Wij zullen daarin voorzien.
      Nous allons remédier à cela.
    • Vacatures waarin snel moet worden voorzien.
      Postes à pourvoir rapidement.
    • Zich voorzien van, zich uitrusten met.
      Se doter de.
    • Voorzien van onze acceptatie.
      Revêtu de notre acceptation.
    • Voorzien van het bewijs.
      Muni de la preuve.

Synonymes[modifier]

prévoir
pourvoir

Vocabulaire apparenté par le sens[modifier]

prévoir
pourvoir

Prononciation[modifier]

  •  : écouter « voorzien »