aanbieden

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : Navigation, rechercher

Sommaire

Néerlandais[modifier]

Origine et histoire de « aanbieden » Étymologie

Dérivé par préfixation de bieden.

Verbe

Présent Prétérit
ik bied aan bood aan
jij biedt aan
hij, zij, het biedt aan
wij bieden aan boden aan
jullie bieden aan
zij bieden aan
u biedt aan bood aan
Auxiliaire Participe passé
hebben aangeboden

aanbieden

  1. Offrir, présenter.
    • een dame zijn arm aanbieden : offrir le bras à une dame.
    • excuses aanbieden : présenter des excuses.
    • documenten aanbieden : présenter des documents.
    • iets te koop aanbieden : mettre qc. en vente.
    • ter overname aangeboden : à céder.
    • een wissel ter betaling aanbieden : présenter une traite au paiement.
    • aanbieden mits onverkocht : offrir sauf vente.
    • ter betaling aanbieden  : présenter au paiement.
    • vast aanbieden, vast offreren : offrir ferme.
  2. Proposer.
    • iemand een beloning aanbieden proposer une rémunération à qn.
    • zich als vrijwilliger aanbieden se porter volontaire.

Synonymes

Prononciation Prononciation

  • Pays-Bas : écouter « aanbieden »