aanbieden
Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sommaire |
[modifier] Néerlandais
Étymologie
- Dérivé par préfixation de bieden.
Verbe
| Présent | Prétérit | ||
|---|---|---|---|
| ik | bied aan | bood aan | |
| jij | biedt aan | ||
| hij, zij, het | biedt aan | ||
| wij | bieden aan | boden aan | |
| jullie | bieden aan | ||
| zij | bieden aan | ||
| u | biedt aan | bood aan | |
| Auxiliaire | Participe passé | ||
| hebben | aangeboden | ||
aanbieden
- Offrir, présenter.
- een dame zijn arm aanbieden : offrir le bras à une dame.
- excuses aanbieden : présenter des excuses.
- documenten aanbieden : présenter des documents.
- iets te koop aanbieden : mettre qc. en vente.
- ter overname aangeboden : à céder.
- een wissel ter betaling aanbieden : présenter une traite au paiement.
- aanbieden mits onverkocht : offrir sauf vente.
- ter betaling aanbieden : présenter au paiement.
- vast aanbieden, vast offreren : offrir ferme.
- Proposer.
- iemand een beloning aanbieden proposer une rémunération à qn.
- zich als vrijwilliger aanbieden se porter volontaire.
Synonymes
Prononciation
- Pays-Bas : écouter « aanbieden »