citroen
Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sommaire |
[modifier] Néerlandais
Étymologie
- Du français citron.
Nom commun
| Singulier | Pluriel | |
|---|---|---|
| Nom | citroen | citroenen |
| Diminutif | citroentje | citroentjes |
citroen het
Dérivés
Vocabulaire apparenté par le sens
Expressions
- appels voor citroenen verkopen
- Hij wordt weggegooid als een uitgeknepen citroen.
- iemand knollen voor citroenen verkopen
- iemand uitknijpen als een citroen
Prononciation
- /siˈtrun/
- Pays-Bas : écouter « citroen »
Voir aussi
- citroen sur Wikipédia (en néerlandais)
