genieten

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : Navigation, rechercher

Sommaire

[modifier] Néerlandais

Origine et histoire de « genieten » Étymologie

A rapprocher de l'allemand genießen, de même sens.

Verbe 1

Présent Prétérit
ik geniet genoot
jij geniet
hij, zij, het geniet
wij genieten genoten
jullie genieten
zij genieten
u geniet genoot
Auxiliaire Participe passé
hebben genoten

genieten /ɣe.niː.tǝː/ intransitif

  1. jouir
    • wij hebben genoten!
      nous avons eu beaucoup de plaisir
    • in stilte genieten
      boire du petit lait
    • van iets genieten
      jouir de qc.

Verbe 2

Présent Prétérit
ik geniet genoot
jij geniet
hij, zij, het geniet
wij genieten genoten
jullie genieten
zij genieten
u geniet genoot
Auxiliaire Participe passé
hebben genoten

genieten /ɣe.niː.tǝː/ transitif

  1. jouir (de), savourer
    • een goede gezondheid genieten
      jouir d’une bonne santé
    • een kopje koffie genieten
      savourer une tasse de café
    • zijn ontbijt genieten
      prendre son petit déjeuner
    • hij is niet te genieten
      il est insupportable
    • asielrecht genieten
      bénéficier du droit d’asile

Prononciation Prononciation

Outils personnels
Espaces de noms

Variantes
Actions
Navigation
Contribuer
Aide
Boîte à outils
Autres langues