uitscheiden

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sauter à la navigation Sauter à la recherche

Néerlandais[modifier le wikicode]

Étymologie[modifier le wikicode]

Dérivé par préfixation de scheiden.

Verbe 1 [modifier le wikicode]

Présent Prétérit
ik scheid uit scheidde uit
jij scheidt uit
hij, zij, het scheidt uit
wij scheiden uit scheidden uit
jullie scheiden uit
zij scheiden uit
u scheidt uit scheidde uit
Auxiliaire Participe passé
hebben uitgescheiden

uitscheiden \Prononciation ?\ intransitif

  1. Cesser, s’arrêter (de).

Synonymes[modifier le wikicode]

Verbe 2[modifier le wikicode]

Présent Prétérit
ik scheid uit scheed uit
jij scheidt uit
hij, zij, het scheidt uit
wij scheiden uit scheden uit
jullie scheiden uit
zij scheiden uit
u scheidt uit scheed uit
Auxiliaire Participe passé
hebben uitgescheden

uitscheiden transitif

  1. Évacuer, expulser.
  2. (Médecine) Excréter, sécréter.

Synonymes[modifier le wikicode]

Prononciation[modifier le wikicode]

  • (Région à préciser) : écouter « uitscheiden »