uitlaten

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier | modifier le wikicode]

Étymologie[modifier | modifier le wikicode]

Dérivé par préfixation de laten.

Verbe 1[modifier | modifier le wikicode]

Présent Prétérit
ik laat uit liet uit
jij laat uit
hij, zij, het laat uit
wij laten uit lieten uit
jullie laten uit
zij laten uit
u laat uit liet uit
Auxiliaire Participe passé
hebben uitgelaten

uitlaten /Prononciation ?/ transitif

  1. Faire sortir, reconduire.
    • een bezoeker uitlaten
      reconduire un visiteur
  2. Promener, sortir.
    • de hond uitlaten
      promener le chien
  3. Omettre.
    • een woord uitlaten
      omettre un mot

Synonymes[modifier | modifier le wikicode]

Verbe 2[modifier | modifier le wikicode]

Présent Prétérit
ik laat uit liet uit
jij laat uit
hij, zij, het laat uit
wij laten uit lieten uit
jullie laten uit
zij laten uit
u laat uit liet uit
Auxiliaire Participe passé
hebben uitgelaten

uitlaten /Prononciation ?/ pronominal

  1. Se prononcer.
    • zich uitlaten over iets
      dire sa pensée, son opinion à propos de quelque chose
  2. S’étendre (sur).
    • zich uitlaten over een onderwerp
      s’étendre, s’appesantir sur un sujet

Synonymes[modifier | modifier le wikicode]