aanwijzen

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sauter à la navigation Sauter à la recherche

Néerlandais[modifier le wikicode]

Étymologie[modifier le wikicode]

(Date à préciser) De aan et wijzen.

Verbe [modifier le wikicode]

Présent Prétérit
ik wijs aan wees aan
jij wijst aan
hij, zij, het wijst aan
wij wijzen aan wezen aan
jullie wijzen aan
zij wijzen aan
u wijst aan wees aan
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben wijzen aand aangewezen

aanwijzen \Prononciation ?\ transitif

  1. Désigner, indiquer, montrer.
    • De dader aanwijzen.
      Désigner le coupable.
    • De naald wijst het noorden aan.
      L’aiguille indique le nord.
    • Gasten hun plaats aanwijzen.
      Montrer leurs places aux invités.
    • Met zijn vinger aanwijzen.
      Montrer du doigt.
    • Iemand als zijn erfgenaam aanwijzen.
      Nommer quelqu’un son héritier.
  2. Désigner, attribuer.
    • Een plaats aanwijzen.
      Assigner un endroit.
    • Iemand zijn deel in de winst aanwijzen.
      Assigner à quelqu’un sa part au bénéfice.
    • (Droit) Voor de rechtbank of voor de aangewezen rechter.
      Devant le tribunal ou le juge commis.
    • De aangewezen notaris/
      Le notaire commis.

Synonymes[modifier le wikicode]

Taux de reconnaissance[modifier le wikicode]

En 2013, ce mot était reconnu par[1] :
  • 99,6 % des Flamands,
  • 99,7 % des Néerlandais.

Prononciation[modifier le wikicode]

Références[modifier le wikicode]

  1. Marc Brysbaert, Emmanuel Keuleers, Paweł Mandera et Michael Stevens, Woordenkennis van Nederlanders en Vlamingen anno 2013: Resultaten van het Groot Nationaal Onderzoek Taal, Université de Gand, 15 décembre 2013, 1266 p. → [lire en ligne]