aanwijzen

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier]

Étymologie[modifier]

(Date à préciser) De aan et wijzen.

Verbe[modifier]

Présent Prétérit
ik wijs aan wees aan
jij wijst aan
hij, zij, het wijst aan
wij wijzen aan wezen aan
jullie wijzen aan
zij wijzen aan
u wijst aan wees aan
Auxiliaire Participe passé
hebben aangewezen

aanwijzen \Prononciation ?\ transitif

  1. désigner, indiquer, montrer
    • De dader aanwijzen.
      Désigner le coupable.
    • De naald wijst het noorden aan.
      L’aiguille indique le nord.
    • Gasten hun plaats aanwijzen.
      Montrer leurs places aux invités.
    • Met zijn vinger aanwijzen.
      Montrer du doigt.
    • Iemand als zijn erfgenaam aanwijzen.
      Nommer quelqu’un son héritier.
  2. désigner, attribuer
    • Een plaats aanwijzen.
      Assigner un endroit.
    • Iemand zijn deel in de winst aanwijzen.
      Assigner à quelqu’un sa part au bénéfice.
    • (Droit) Voor de rechtbank of voor de aangewezen rechter.
      Devant le tribunal ou le juge commis.
    • De aangewezen notaris/
      Le notaire commis.

Synonymes[modifier]

Prononciation[modifier]