omgaan
Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sommaire |
Néerlandais [modifier]
Étymologie
Verbe
| Présent | Prétérit | ||
|---|---|---|---|
| ik | ga om | ging om | |
| jij | gaat om | ||
| hij, zij, het | gaat om | ||
| wij | gaan om | gingen om | |
| jullie | gaan om | ||
| zij | gaan om | ||
| u | gaat om | ging om | |
| Auxiliaire | Participe passé | ||
| zijn | omgegaan | ||
omgaan intransitif
- tourner (autour de), contourner
- het rad ging nog enige malen om
- la roue fit encore quelques tours
- de berg omgaan
- contourner la montagne
- een heel eind omgaan
- faire un grand détour
- (Figuré) het hoekje omgaan
- avaler son bulletin de naissance, passer l’arme à gauche
- (Commerce) er gaat veel om in deze zaak
- il y a un bon courant d’affaires dans cette société
- het rad ging nog enige malen om
- passer
- de tijd gaat langzaam om
- le temps passe lentement
- de tijd gaat langzaam om
- fréquenter
- het veilig omgaan met brandbare vloeistoffen
- la manipulation sûre des liquides inflammables
- met zijn gevoelens kunnen omgaan
- pouvoir gérer ses sentiments
- hoe gaat u daarmee om?
- comment le gérez-vous ?
- hoe ga je om met het groen?
- comment s’y prendre avec le vert ?
- met elkaar omgaan
- se côtoyer
- met iemand omgaan
- frayer avec qn.
- het veilig omgaan met brandbare vloeistoffen
Synonymes
passer
fréquenter
Dérivés
Prononciation
→ Prononciation manquante. (Ajouter)