aanbidden

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier]

Étymologie[modifier]

Composé de la particule inséparable aan et du verbe bidden (« prier »).

Verbe[modifier]

Présent Prétérit
ik aanbid aanbad
jij aanbidt
hij, zij, het aanbidt
wij aanbidden aanbaden
jullie aanbidden
zij aanbidden
u aanbidt aanbad
Auxiliaire Participe passé
hebben aanbeden
Présent Prétérit
ik bid aan bad aan
jij bidt aan
hij, zij, het bidt aan
wij bidden aan baden aan
jullie bidden aan
zij bidden aan
u bidt aan bad aan
Auxiliaire Participe passé
hebben aangebeden

aanbidden \am.ˈbɪ.də(n)\ transitif

  1. adorer
  2. adorer, vénérer, idolâtrer, avoir un culte pour

Synonymes[modifier]

Prononciation[modifier]