aangaan

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sauter à la navigation Sauter à la recherche

Néerlandais[modifier le wikicode]

Étymologie[modifier le wikicode]

Étymologie manquante ou incomplète. Si vous la connaissez, vous pouvez l’ajouter en cliquant ici.

Verbe 1 [modifier le wikicode]

aangaan \Prononciation ?\ intransitif (inergatif).

  1. Concerner, regarder, toucher, intéresser, regarder.
    • Dat gaat u niet aan.
      Cela ne vous regarde pas.
    • Wie het aangaat.
      Qui de droit.

Synonymes[modifier le wikicode]

Verbe 2[modifier le wikicode]

Présent Prétérit
ik ga aan ging aan
jij gaat aan
hij, zij, het gaat aan
wij gaan aan gingen aan
jullie gaan aan
zij gaan aan
u gaat aan ging aan
Auxiliaire Participe passé
zijn aangegaan

aangaan \Prononciation ?\ intransitif (ergatif)

  1. Contracter, s'engager.
    • Een huwelijk aangaan.
      Contracter mariage.
    • Een lening aangaan.
      Emprunter, faire un emprunt.
    • Een pacht aangaan
      Passer un bail.
    • Een schuld aangaan.
      Contracter une dette.
    • Schuldvernieuwing aangaan.
      Nover.
    • Een verbintenis aangaan.
      Contracter une obligation, assumer une obligation.
    • Een verzekering aangaan.
      Souscrire une assurance.
    • Een overeenkomst aangaan.
      Passer un contrat, conclure un contrat.
    • Het aangaan van de overeenkomst.
      La passation du contrat, la conclusion du contrat, la formation du contrat.
  2. Commencer.
    • Dat gaat niet aan.
      Cela ne va pas, cela n’est pas possible.
  3. S’allumer, prendre.
  4. Tempêter, se démener.

Synonymes[modifier le wikicode]

contracter

commencer

s’allumer

se démener

Prononciation[modifier le wikicode]

Prononciation manquante. (Ajouter)