doorbuigen

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier]

Étymologie[modifier]

Composé de door et buigen.

Verbe [modifier]

Présent Prétérit
ik buig door boog door
jij buigt door
hij, zij, het buigt door
wij buigen door bogen door
jullie buigen door
zij buigen door
u buigt door boog door
Auxiliaire Participe passé
hebben/zijn doorgebogen

doorbuigen \dɔːrˈbʌj.ɣǝ:\ transitif ou intransitif

  1. Courber, fléchir, ployer.
  2. (Intransitif) Se courber, céder, fléchir, ployer.
  3. Continuer à courber.

Synonymes[modifier]


Prononciation[modifier]