uitstappen

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sauter à la navigation Sauter à la recherche

Néerlandais[modifier le wikicode]

Étymologie[modifier le wikicode]

Étymologie manquante ou incomplète. Si vous la connaissez, vous pouvez l’ajouter en cliquant ici.

Verbe [modifier le wikicode]

uitstappen intransitif

Présent Prétérit
ik stap uit stapte uit
jij stapt uit
hij, zij, het stapt uit
wij stappen uit stapten uit
jullie stappen uit
zij stappen uit
u stapt uit stapte uit
Auxiliaire Participe présent Participe passé
zijn stappen uitd uitgestapt
  1. Descendre.
    • Ik ben in Brussel-Centraal uitgestapt.
  2. Descendre, donner, aboutir, sortir.
    • De politicus is uit zijn partij gestapt.

Synonymes[modifier le wikicode]

Prononciation[modifier le wikicode]