doorzien

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier]

Étymologie[modifier]

Composé de “door” et “zien”.

Verbe 1[modifier]

doorzien transitif

Présent Prétérit
ik doorzie doorzag
jij doorziet
hij, zij, het doorziet
wij doorzien doorzagen
jullie doorzien
zij doorzien
u doorziet doorzag
Auxiliaire Participe passé
hebben doorzien
  1. Pénétrer, percevoir, deviner.

Synonymes[modifier]

percevoir

Vocabulaire apparenté par le sens[modifier]

percevoir

Prononciation[modifier]

Verbe 2[modifier]

doorzien transitif

Présent Prétérit
ik zie door zag door
jij ziet door
hij, zij, het ziet door
wij zien door zagen door
jullie zien door
zij zien door
u ziet door zag door
Auxiliaire Participe passé
hebben doorgezien
  1. Parcourir, feuilleter .

Synonymes[modifier]

feuilleter

Vocabulaire apparenté par le sens[modifier]

feuilleter