aangeven
Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Sommaire |
[modifier] Néerlandais
Étymologie
Composé de la préposition aan (à) et du verbe geven (donner).
Verbe
| Présent | Prétérit | ||
|---|---|---|---|
| ik | geef aan | gaf aan | |
| jij | geeft aan | ||
| hij, zij, het | geeft aan | ||
| wij | geven aan | gaven aan | |
| jullie | geven aan | ||
| zij | geven aan | ||
| u | geeft aan | gaf aan | |
| Auxiliaire | Participe passé | ||
| hebben | aangegeven | ||
aangeven
- passer, remettre à, donner
- kun je me het zout aangeven, alsjeblieft
- tu peux me passer le sel, s’il te plaît
- kun je me het zout aangeven, alsjeblieft
- déclarer
- zijn inkomen aangeven
- déclarer ses revenus
- zijn bagage aangeven
- faire enregistrer ses bagages
- een geboorte aangeven bij het gemeentehuis
- déclarer une naissance à la mairie
- goederen aangeven bij de douane #*
- zijn inkomen aangeven
- déclarer des marchandises à la douane
-
- een misdaad aangeven
- dénoncer, rapporter un crime
- een misdaad aangeven
- indiquer, signaler, nommer
- de hoofdlijnen van een plan aangeven
- tracer les grandes lignes d’un plan
- zich aangeven <bij de politie>
- se livrer, se dénoncer
- de hoofdlijnen van een plan aangeven
Synonymes
passer
déclarer
indiquer
Prononciation
→ Prononciation manquante. (Ajouter)
- Pays-Bas : écouter « aangeven »