uitmaken

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier le wikicode]

Étymologie[modifier le wikicode]

→ voir uit et maken.

Verbe [modifier le wikicode]

Présent Prétérit
ik maak uit maakte uit
jij maakt uit
hij, zij, het maakt uit
wij maken uit maakten uit
jullie maken uit
zij maken uit
u maakt uit maakte uit
Auxiliaire Participe passé
hebben uitgemaakt

uitmaken \Prononciation ?\ transitif

  1. Rompre.
    • Een relatie uitmaken.
      Rompre une relation.
    • Zij hebben het uitgemakt.
      Ils ont rompu.
  2. Former, constituer, faire.
    • Integraal onderdeel uitmaken van.
      Faire partie intégrante de.
    • Een belangrijk deel van de kosten uitmaken.
      Former une part importante des coûts, représenter une part importante des coûts.
    • Het geluk van iem. uitmaken.
      Faire la joie de quelqu’un.
  3. Faire, avoir de l’importance.
    • Dat maakt niets uit.
      Ça ne fait rien, ça n’a pas d’importance.
    • Dat maakt helemaal niets uit.
      Cela n’a aucune importance.
    • Voor mij maakt het niets uit.
      Ça m’est égal.
  4. Décider, trancher.
    • Dat is moeilijk uit te maken.
      C’est difficile à déterminer.
  5. Traiter de.
    • Voor leugenaar worden uitgemaakt.
      Être traité de menteur.
  6. Éteindre.
    • Een vuur uitmaken.
      Éteindre un feu.
  7. Faire disparaître, supprimer.
    • Vlekken uitmaken.
      Faire disparaître des taches.

Synonymes[modifier le wikicode]

rompre
former
avoir de l’importance
décider
traiter de
éteindre
faire disparaître

Prononciation[modifier le wikicode]

Prononciation manquante. (Ajouter)