uitkomen

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier | modifier le wikitexte]

Étymologie[modifier | modifier le wikitexte]

Dérivé par préfixation de komen.

Verbe[modifier | modifier le wikitexte]

Présent Prétérit
ik kom uit kwam uit
jij komt uit
hij, zij, het komt uit
wij komen uit kwamen uit
jullie komen uit
zij komen uit
u komt uit kwam uit
Auxiliaire Participe passé
zijn uitgekomen

uitkomen /Prononciation ?/ intransitif

  1. mener (à), donner (sur)
    • deze kamer komt op de straat uit
      cette pièce donne sur la rue
  2. être juste, se réaliser
    • de deling komt uit
      la division se fait exactement
    • wanneer het u uitkomt
      quand cela vous convient
  3. (Anatomie) sortir, pousser
    • tanden die uitkomen
      des dents qui percent
  4. (Fleur), (Zoologie) sortir, éclore, surgir
    • de bladeren komen uit
      les feuilles sortent
    • er zijn vijf eieren uitgekomen
      cinq œufs sont éclos
  5. apparaître, s’ébruiter
    • het geheim is uitgekomen
      le secret a été divulgué
  6. résulter, aboutir
    • uitkomen op
      déboucher (sur), aboutir, conduire (à)
  7. reconnaître, admettre
    • ervoor uitkomen dat men iets niet weet
      déclarer son ignorance
    • voor zijn mening uitkomen
      défendre, exprimer son opinion, avoir le courage de ses opinions, oser se montrer au grand jour, se manifester
    • voor zijn homosexualiteit uitkomen
      sortir du placard
    • het uitkomen (van homosexualiteit)
      sortie du placard, coming-out
    • goed doen uitkomen
      mettre en valeur

Synonymes[modifier | modifier le wikitexte]

Prononciation[modifier | modifier le wikitexte]

Prononciation manquante. (Ajouter)