aantrekken

Définition, traduction, prononciation, anagramme et synonyme sur le dictionnaire libre Wiktionnaire.
Aller à : navigation, rechercher

Néerlandais[modifier | modifier le wikitexte]

Étymologie[modifier | modifier le wikitexte]

De aan et trekken.

Verbe 1[modifier | modifier le wikitexte]

aantrekken transitif

Présent Prétérit
ik trek aan trok aan
jij trekt aan
hij, zij, het trekt aan
wij trekken aan trokken aan
jullie trekken aan
zij trekken aan
u trekt aan trok aan
Auxiliaire Participe passé
hebben aangetrokken
  1. Mettre, revêtir, passer, enfiler.
    • zijn jas aantrekken : endosser son pardessus.
    • wie de schoen past, trekke hem aan : à bon entendeur, salut!
  2. Attirer, allécher, solliciter, appâter.
    • personeel aantrekken : embaucher, engager du personnel.
    • zich aangetrokken voelen tot iemand : se sentir attiré vers qn., éprouver de l’attrait pour qn.
    • de beurs heeft ca. 5.000 bezoekers aangetrokken : le salon a drainé quelque 5.000 visiteurs.
  3. Serrer.
    • de buikriem aantrekken : se serrer la ceinture.

Synonymes[modifier | modifier le wikitexte]

Antonymes[modifier | modifier le wikitexte]

Verbe 2[modifier | modifier le wikitexte]

zich aantrekken pronominal

  1. Se préoccuper de, se soucier de.
    • zich iemand aantrekken : s’intéresser à qn.
    • dat heeft hij zich erg aangetrokken : ça l’a fort affecté.
    • trek je er maar niets van aan! : ne t’en fais pas!

Verbe 3[modifier | modifier le wikitexte]

aantrekken intransitif (ergatif)

Présent Prétérit
ik trek aan trok aan
jij trekt aan
hij, zij, het trekt aan
wij trekken aan trokken aan
jullie trekken aan
zij trekken aan
u trekt aan trok aan
Auxiliaire Participe passé
zijn aangetrokken
  1. (Économie) Avoir tendance à la reprise.
    • het weer aantrekken van de economie : le redémarrage (de l’activité) économique.

Prononciation[modifier | modifier le wikitexte]

Prononciation manquante. (Ajouter)